De verraderlijke echtheid van kunstige klonen


Het is een vreemd spel dat de tentoonstelling Hyperrealisme Sculptuurmet bezoekers speelt. Met 35 beelden legt de Rotterdamse Kunsthal de basis voor een merkwaardig spel van gruwelen, verrassen en vertederen. En vooral van kijken en bekeken worden.

Pygmalion was volgens de oude Grieken een Cypriotische prins met een grote hobby: beeldhouwen. Teleurgesteld in de liefde van vleselijke vrouwen werkte hij aan zijn perfecte ivoren vrouwbeeld. Hij maakte haar mooier dan elke vrouw die ooit geleefd had of in steen was uitgehouwen. Met elk slagen van de hamer op de beitel groeide zijn genegenheid en toen hij uiteindelijk zijn beitel naast hem neerlegde, stond er een vrouw van zo’n perfectie voor hem dat hij niks anders kon dan haar aanbidden. Hij was diep in liefde gevallen. Hij bracht zijn ‘Galatea’ geschenken, streelde en kuste haar en vertelde haar over zijn leven en zijn liefde voor haar. Voor Pygmalion eindigde het verhaal volgens de mythen schijnbaar goed. Dankzij Aphrodite, de godin van de liefde, brengt Pygmalion op een dag zijn beeld met een kus tot leven. Ze trouwen en krijgen een kind. En dat lijkt allemaal mooi, maar in wezen is dit verhaal angstaanjagend. Want stel dat een beeld écht tot leven komt, dan ren je toch hard en gillend weg?

Op de tentoonstelling Hyperrealisme Sculptuurin Rotterdam primeert precies deze angst. Met 35 kunstwerken van 28 kunstenaars geeft de Kunsthal een prachtig, maar vaak onbehaaglijk overzicht van de ontwikkeling van vijftig jaar hyperrealistische beeldhouwkunst. Anders dan Pygmalion, die naar de perfecte schoonheid streefde, werken hyperrealistische kunstenaars sinds de jaren zestig aan beelden die zo realistisch lijken, dat het onderscheid echt en nep soms lastig te maken is. Het doel is dan ook anders. De nieuwe lichting kunstenaars wil zich niet verliezen in een droombeeld, maar wil juist vragen stellen over ons beeld op de realiteit en onze identiteit: hoe kijken we naar onszelf en naar anderen? Daardoor is er geen eenrichtingsverkeer op de tentoonstelling: het is kijken naar beelden, maar ook bekeken worden door beelden.

Ongemakkelijke dubbelgangers

De Kunsthal laat met vijf verschillende thema’s zien hoe hyperrealistische kunstenaars een spiegel voor de bezoeker zetten. Het begint met het thema dubbelgangers en met levensgrote werken van kunstenaars als Duane Hanson, John DeAndrea en Paul McCarthy. Voor bijvoorbeeld Two Workersmaakte Hanson mallen van twee levende modellen en vroeg ook om hun kleding en hoofd- en lichaamshaar. Doordat ze zo echt lijken, wordt het bijna bedreigend. Zitten hier acteurs te doen alsof? Wanneer gaan ze bewegen? Voor Hanson is het niet slechts een spel met de dreiging. Hij werkt eigenlijk in de traditie van het 19de-eeuwse Realisme dat met grootse scènes de sociale omstandigheden van het werkende volk liet zien. Volgens Hanson gaan zijn levensechte beelden dan ook over menselijke waarden. ‘Over mensen die hun leven leiden in stille wanhoop.’

Ook McCarthy gebruikte een mal om bijvoorbeeldThat Girl (T.G. Awake) te maken. Hiervoor bedekte hij zijn model Elyse Poppers met silicone en gips. Met die perfecte mal van haar lichaam maakte hij meerdere kopieën met telkens een andere houding en oogopslag. In de Kunsthal zitten de drie naakte versies van Poppers op glasplaten. Bij een eerste beeld bekijkt ze haar eigen lichaam, bij een tweede kijkt ze de bezoeker uitdagend aan en bij een derde lijkt ze zich bekeken te voelen. Het effect is verontrustend. Als bezoeker ben je in één klap de onbeschaamde én betrapte voyeur – al kun je natuurlijk volhouden dat je slechts de technische perfectie bewondert.

Monochromen en lichaamsdelen

Wanneer je de persoonlijke kenmerken juist weglaat, creëer je een anoniem en veilig beeld. De monochrome beelden van George Segal in Rotterdam zijn daarom zo sterk. Doordat ze in één kleur zijn geschilderd, maar wel in een menselijke context zijn geplaatst, stralen ze een versterkt gevoel van melancholie uit, van afzondering en isolement. Keith Edmier gebruikt ook één kleur om te spelen met onze verbeelding en ons collectieve geheugen. Het werk Beverly Edmieris gemaakt van een doorzichtige, gegoten roze kunsthars en toont zijn moeder in 1963 met een zichtbare foetus in haar baarmoeder – niet de kunstenaar, hij werd vier jaar later geboren. Ze draagt een exacte replica van het Chanel-pakje dat Jacqueline Kennedy droeg op de dag dat man werd doodgeschoten. Een keerpunt in de geschiedenis en wellicht ook voor de semi-geanomiseerde geportretteerde.

Ook Maurizio Cattelan refereert overduidelijk aan onze collectieve geschiedenis. De drie armen van zijn Ave Marialijken natuurlijk op de Hitlergroet, maar de titel verwijst naar een katholiek gebed. Tegelijkertijd zien we geen rode band met hakenkruis om de armen, maar keurige mouwen van zakenpakken. Wat wil de kunstenaar hier zeggen: is het kapitalisme een religie én onderdrukker? Zijn wij gelovigen onder een zieke machthebber? Eén ding is zeker; de Italiaanse kunstenaar wil dat we stilstaan bij de dreiging van onze machtsverhoudingen.

Mismaakt en meeslepend

Alle schijnbare echtheid, confrontaties met onszelf en vreemde manipulaties op Hyperrealisme Sculpturendoet denken: wat gaat de toekomst brengen? Wat stelt het menselijk lichaam voor? Want het zijn niet alleen de beelden in de kunst die dichter bij ons komen, als mensen komen wij ook dichter bij de kunst. Met alle mogelijkheden van plastische chirurgie en injectableszijn onze lichamen meer maakbaar dan ooit. En wat is het leven dan, als je een kunstmatig lichaam kunt scheppen? Dat is precies de vraag waar Patricia Piccinini mee speelt in haar fantasiebeelden. Voor de een zijn deze vreemde, ogenschijnlijk natuurlijke wezensgruwelijk, voor de ander aandoenlijk.

In een andere kunstenaar binnen het thema deformaties is Evan Penny. Op een aluminium plaat met silicone, haar en pigment laat hij zien wat er gebeurt als we alle digitale filters en visuele trucjes waarmee we onszelf manipuleren in de digitale wereld driedimensionaal maken. Wat krijg je dan? Een uitgerekt, wanordelijk mensbeeld dat bij vlagen scherp is – en waarop je de wimperhaartjes wil aanraken. Volgens Penny zijn we vervreemd van onze echte lichamen en tonen we online slechts inhoudsloze, wazige voostellingen van onszelf.

Eén van de grootste publiekstrekkers in Rotterdam is een pasgeboren baby van ruim vijf meter lang. Ook hier is het een spel van aantrekken en afstoten. Voor velen werkt de confrontatie met de met bloed besmeurde baby afschrikwekkend. Tegelijkertijd toont Ron Mueck ook hoe extreem hulpeloos en ingrijpend een pasgeborene is. Met zijn simpele spel met schaalvergroting zorgde Mueck in de jaren negentig voor een nieuwe revolutie in het hyperrealisme. De Kunsthal toont bijvoorbeeld ook prachtig werk van navolger Sam Jinks, waarin de verkleining juist toont hoe klein en fragiel wij eigenlijk zijn.

Wat de Kunsthal vooral duidelijk maakt, is dat in vijftig jaar tijd het hyperrealisme nieuw leven in sculptuur heeft geblazen. De technologische ontwikkelingen maken de beelden levensechter dan ooit en daarmee lijkt het slechts een kwestie van tijd voordat de mythe van Pygmalion écht uitkomt. De vraag is: wat is dan onze reactie op dat zelfgecreëerde mensbeeld? Rennen we hard weg? Of gaan we de nieuwe Galatea aanbidden?

Deze tekst is gepubliceerd in Geniet, de ontspanningsbijlage van artsenblad Medisch Contact. Voor dit magazine schrijf ik geregeld over interessante tentoonstellingen. De beelden zijn van Kunsthal Rotterdam. Daarbij horen de volgende credits:

- Untitled (Kneeling Woman)- Sam Jinks, collectie kunstenaar.

- Ave Maria- Maurizio Cattelan, privécollectie.

- A girl- Ron Mueck, Scottish National Gallery of Modern Art (gekocht met behulp van het Art Fund 2007). Foto: Jeff J Mitchell/Getty Images.

Andere schrijfsels